Tekst bij beeld: teksten voor musea

 

 

Na mijn afstuderen kwam ik terecht in het Frans Halsmuseum in Haarlem. Zoals vaak gebeurt in musea werd ik als jongste bediende aan het schrijven van museumteksten gezet. Als je daarmee begint komt er meteen een groot aantal vragen op je af. Als je je gaat verdiepen in het object dat je moet toelichten blijkt er veel meer informatie te zijn dan je ooit in 100 of 150 woorden kwijt kunt. Dus wat vertel je en wat laat je weg? Kies je voor een beschrijving van het voorwerp of geef je juist achtergrondinformatie? En welke toon sla je aan? Wie is eigenlijk die museumbezoeker die je iets wilt wijsmaken? Wil hij eigenlijk wel lezen? Daarvoor kom je toch niet naar een museum? Hoe worden tekstbordjes eigenlijk door de museumbezoeker gebruikt?

 

Als je op zaal gaat kijken wat bezoekers eigenlijk doen met teksten dan zie je allerlei gedrag. Sommige mensen lezen helemaal niet, anderen lezen alles en werpen af en toe een vluchtige blik op de tentoongestelde objecten. De meeste mensen echter bewegen zich voort door de zalen, gedreven door mooie of interessante dingen. Als een object vragen oproept wil hij daar direct een antwoord op hebben. Een prachtig schilderij of een interessant historisch voorwerp trekt je aandacht en dan ga je je dingen afvragen als: wat is dit? Wat stel het voor? Waarom is het hier? Wat heeft het te maken met het thema van de tentoonstelling?  Wat is dat voor gek detail en wat betekent het? Ik zou wel wat willen weten over de maker van het object of over hoe het werd gebruikt.

 

Weinig mensen gaan thuis de catalogus lezen om er achter te komen wat ze eerder hebben gezien. Een museum zou die behoefte aan informatie dan ook ter plekke moeten bevredigen. Dat is volgens mij de belangrijkste functie van teksten op zaal in een museum: het bevredigen van de behoefte aan informatie.

Als het goed is vindt de museumbezoeker in een tekst waarnaar hij op zoek was. Vaak zie je bij mensen die samen met anderen een tentoonstelling bezoeken dat een van hen het tekstje leest en dan aan de anderen uitlegt wat er voor bijzonders is te zien. Zo kan een tentoonstellingtekst ook dienen als uitgangspunt voor een discussie, en daarmee tot beter kijken. Zo werkt het vaak ook bij gezinnen: vaak leest een van de ouders het bijschrift om vervolgens uitleg te geven aan de kinderen. Goede teksten dragen er toe bij dat een museum leuk is voor iedereen.

 

Uit onderzoek is lang geleden al gebleken dat museumbezoekers teksten actief scannen op zoek naar de informatie die ze zoeken, ongeveer op dezelfde manier waarop teksten op het internet worden gelezen. Een schrijver van museumteksten moet dus zich in de eerste plaats af vragen welke vragen een object zou kunnen oproepen en die in zijn tekst beantwoorden. Dat is wat mij betreft het belangrijkste uitgangspunt bij het schrijven van museumteksten.

 

Het is inmiddels ruimschoots uit allerlei onderzoeken bekend, en veel musea gaan daar ook vanuit bij het schrijven van teksten, dat een bezoeker niet alle teksten leest, dat hij een tekst niet altijd helemaal leest, dat een bezoeker gemiddeld eenderde van zijn tijd aan lezen en tweederde aan kijken besteedt. Hoe meer hij leest hoe minder hij kijkt. Teksten worden bovendien slecht onthouden.

Toch zijn verklarende teksten bij kunstvoorwerpen waarschijnlijk het meest effectieve middel van informatieoverdracht. Al lezen bezoekers misschien niet graag, ze willen wel dat er veel te lezen is. Ze treffen liever te veel dan te weinig informatie aan. Uit onderzoek blijkt ook dat museumbezoekers vooral teksten lezen die in direct verband staan met een object.

 

Omdat niemand alle teksten leest is het belangrijk om in een tentoonstelling de belangrijkste zaken te herhalen. Teksten kunnen niet worden beschouwd als stukjes van een doorlopend verhaal, maar staan op zich zelf.

 

Als je museumteksten aandachtig leest dan valt op dat teksten vaak beperkt zijn tot een soort beschrijving van het object. Als je tekstschrijvende museummedewerkers vraagt wat er in een tekst moet staan, zeggen ze vaak dat je zo dicht mogelijk bij het object moet blijven, dat wil zeggen: vertellen wat er te zien is. Ik ben het daar niet mee eens. Natuurlijk moet er een relatie zijn tussen tekst en voorwerp, maar kijken kunnen museumbezoekers heel goed zelf. Het ontbreekt ze juist aan de achtergrondinformatie die we als museummedewerkers wel hebben, en die moeten we met de bezoeker delen.